Op deze pagina kunt u historische informatie vinden. Deze pagina bevat zowel informatie over het ontstaan van gilden in het algemeen als over de historie van ons eigen gilde. Daarnaast is een overzicht opgenomen van alle tot nu toe bekende koningen van ons gilde. In de toekomst is het de bedoeling hier afbeeldingen van de bijbehorende koningsschilden bij te plaatsen. Daarnaast is een stukje opgenomen over de kringdag in 2003 welke door de twee nog bestaande Waalwijkse gilden is georganiseerd. Dit was een van de hoogtepunten in de geschiedenis van het gilde. Ook kunt u meer te weten komen over onze patroonheiligen St. Crispinus & St. Crispinianus. Tot slot is de geschiedenis van de voor ons gilde zo belangrijke schoen- en lederindustrie in de Langstraat geschetst.
Ø Gilden; Oorsprong en betekenis
Ø Het gilde van Besoijen: Historie
Ø St. Crispinus & St. Crispinianus
Ø Lederbewerking in de Langstraat
De gilden vinden hun oorsprong in de middeleeuwen.
Er zijn drie belangrijke groepen gilden te onderscheiden:
Schuttersgilden
Oorspronkelijk was een schuttersgilde een keurkorps gerekruteerd uit de
manschappen van een landheer.
Later waren het met name stadslegers. Ze werden ook
wel 'eed', 'serment' of 'confrérie' genoemd.
Godsdienstige verenigingen en broederschappen
Broederschappen ontstonden in de Middeleeuwen en waren door de Rooms Katholieke
kerk goedgekeurde verenigingen van leken met een godsvruchtig doel;
het waren vaak beoefenaars van een
bepaald ambacht die een eigen schutspatroon hadden, meestal met een eigen
altaar in de kerk of een eigen kapel. Sommige ambachtsgilden zijn later uit de
broederschappen ontstaan. Ook de Rederijkers zijn voortgekomen uit deze
godsdienstige verenigingen. Dorpsgilden waren feitelijk kerkelijke
broederschappen en kregen langzamerhand het karakter van een schutterij.
Ambachtsgilden
Het belangrijkst was ook hier het onderhouden van de goddelijke dienst in een
kerk. De economische aspecten waren een bijkomend element. In deze periode kwam
het geregeld voor dat mensen uit verschillende ambachten lid waren van een en
hetzelfde gilde. Dit heeft vermoedelijk ook te maken met het feit dat een gilde
vaak een eigen altaar of zelfs een kapel onderhield. Aan het hoofd van een
gilde stond de deken of gildemeester (ook andere benamingen kwamen voor).
Naast deze drie typen gilden worden de koopmansgilden meestal apart
aangeduid. Deze gilden waren vrijwel zeker de eerste gilden die zijn ontstaan.
Ze bestonden al in de Germaanse en Romeinse tijd. In de loop van de 16e eeuw
verdwenen veel van de koopmansgilden.
Een wat aparte groep waren de rederijkerskamers. Zij ontstonden met name in de 15e eeuw, maar literaire broederschappen -
waar ze deels uit voortkwamen - bestonden al enkele eeuwen daarvoor.
Oorspronkelijk stonden de leden van dit gilde de geestelijkheid bij, bij de
regeling van kerkelijke feesten. Later werden het meer en meer culturele
verenigingen waarbij met name het schrijven van
toneelstukken centraal stond. Tot hun leden behoorden - in tegenstelling tot de
overige gilden - soms ook vrouwen. De Rederijkers stonden hoger aangeschreven
dan de 'gewone gilden', wat onder andere blijkt uit het feit dat Rederijkers
vrijstelling kregen van de betaling van bepaalde accijnzen.
Maar er bestonden bijvoorbeeld ook studentengilden. De oudst bekende is
die in Douai, daterend uit de 14e eeuw. Daarnaast
waren er in de late Middeleeuwen diverse geheime broederschappen, die zich al
dan niet met occulte zaken bezig hielden.
Na de reformatie in 1578 verdwenen veel van de puur godsdienstige verenigingen.
Vooral de gilden van de ambachtslieden bleven over. Bij deze ambachtsgilden
werden de economische belangen vanaf dat moment veel belangrijker, al bleef er
over het algemeen wel een nadrukkelijke binding met de kerk.
Het gilde St. Crispinus & St. Crispinianus is een schuttersgilde wat op 25
oktober 1838 is opgericht in de voormalige gemeente Besoijen. Deze gemeente is
sinds 1922 samen met de gemeente Baardwijk opgegaan in de gemeente Waalwijk.
In die tijd ontstond er bij enkele burgers in Besoijen de behoefte om zich met gelijkgezinden in met name beroep en geloofsovertuiging te verenigen in een gilde. Op deze manier kon men onder meer de beroepsbelangen beschermen, elkaar steunen in tijden van nood en daarnaast ook de schietsport beoefenen en samenzijn. Met andere woorden: Broederschap. Naar alle waarschijnlijkheid is het gilde voortgekomen uit een ander gilde; het gilde St. Crispijn & St. Crispinianus van Waalwijk en Besoijen dat in 1793 werd opgericht maar in 1932 weer "slapende" werd. Een gilde kan namelijk nooit opgeheven worden, maar wordt inactief en kan ten alle tijden weer heropgericht worden.

Detail van een kaart van Brabant van Johannes Condet uit 1748

Kaart van Besoijen (vóór 1922)
In Besoijen waren het schoenfabrikanten, leerlooiers en schoenmakers die het
gilde oprichtten. Dit waren beroepsgroepen die destijds in de gehele langstraat
de meest voorkomende beroepsgroepen waren. De langstraat, en vooral Waalwijk,
stond en staat bekend als het centrum
van de schoenen- en lederindustrie. In de beginjaren van het gilde kon men
enkel lid worden als men in deze beroepsgroep werkzaam was, een gegeven waarvan
echter na enkele tientallen jaren werd afgestapt.

Gilde in 1918
Als beschermheiligen werden St. Crispinus & St. Crispinianus gekozen,
beschermers van schoenmakers en leerlooiers. In die tijd waren er in Besoijen,
Waalwijk en omstreken meerdere gilden en ook wel andere verenigingen die
Crispinus en Crispinianus als beschermers hadden, tegenwoordig is het
Besoijense gilde echter nog de enige die overgebleven is.

Gilde in 1963

Gilde in 1976

Gilde in de huidige verschijning
Op dit moment telt het gilde ongeveer 30 leden; een mix van jong en oud van 15 tot 90 jaar oud.
De traditionele gildegebruiken worden nog steeds uitgedragen. Dienstbaarheid en trouw aan kerkelijk en wereldlijk gezag worden jaarlijks bevestigd door middel van het vernieuwen van de eed van trouw aan kerkelijke en wereldlijke overheid op de zogenaamde Staatsiedag. Traditiegetrouw zijn de pastoor van de parochie Sint Jan-Maria en de burgemeester van Waalwijk respectievelijk Gildeheer en Beschermheer.
|
|
|
|
|
Schieten op de wip (kaliber .22LR) |
|
Schieten met het luchtgeweer (kaliber 4.5 mm/.177) |
Verder is in 2004 het schietterrein vernieuwd door het plaatsen van nieuwe
schietbomen (die aan de huidige milieueisen voldoen) en is een jeu de boulesbaan aangelegd. Het gilde is aangesloten bij de Noordbrabantse
Federatie van Schuttersgilden en maakt
binnen deze federatie deel uit van kring Maasland. Ook is het gilde in 2007, na
aanleiding van het verschijnen van de Circulaire Wapens en Munitie 2005, lid
geworden van de Vereniging
Brabantse Gildeschutters (VBG); een afdeling van
de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie
(KNSA).
De gildekamer is gevestigd in café Centraal in de Grotestraat te Waalwijk. Hier worden onder andere de maandelijkse vergaderingen gehouden en ook wordt op deze locatie verzameld wanneer het gilde naar buiten moet treden op bijvoorbeeld de staatsiedag.
Samenwerking
gilden uit Baardwijk en
Besoijen
Op 15 juni 2003 heeft het Besoijense gilde in het kader van het 700-jarig
bestaan van Waalwijk, samen met het gilde St. Ambrosius
van Baardwijk de kringdag voor de gilden van kring Maasland georganiseerd. Dit
evenement, waarbij méér dan 1200 gildenbroeders en -zusters aanwezig waren, is
één van de hoogtepunten van het jubileumjaar 2003 geworden.,
mede door het schitterende weer. Op deze dag konden de bezoekers proeven van
het gildenwezen en alle hedendaagse gildendisciplines, zoals schieten met
geweer, hand- en kruisboog, vendelen, trommen, jeu de boules
, en standaardrijden. Ook de tentoonstelling
van het vele koningszilver en gildenattributen trok veel belangstelling. Voor
het Besoijense gilde is het organiseren van een dergelijk evenement, met zijn
beperkte ledenaantal en middelen een prestatie, waarop trots gegaan mag worden.
Uiteraard hebben we deze prestatie samen met het gilde van Baardwijk neergezet.
De onderlinge band tussen de twee gilden en de contacten tussen de
gildebroeders zijn dan ook verstevigd door deze kringdag.

Een van de typische gildetradities is het koningsschieten.
Bij het Besoijense gilde wordt tegenwoordig om de 2 jaar koning geschoten.
Vroeger was dat om de 4 jaar, maar omdat de kans klein was dat hiermee een
keizer binnen het gilde kon komen, werd overgegaan tot een 2- jaarlijk gebeuren. Een koning is binnen het gilde één van
de belangrijkste functies. Het koningsschieten kan in
de regel op 2 manieren plaatsvinden. De eerste manier is d.m.v. het schieten
volgens een puntensysteem, waarbij de beste schutter, vaak, maar echter niet
altijd, de koningstitel wint. Het Besoijense gilde schiet op deze manier koning
( met het geweer, "op wip". De "wip"is een metalen plaatje
dat bovenop een mast of spil staat die afgeschoten, en vervolgens met een
touwtje (dat aan het plaatje vastzit) weer opgetrokken kan worden.
De tweede manier is die waarbij met geweer of kruisboog op een houten vogel
wordt geschoten. Het "naar de vogel schieten" is een al zeer oud
volksvermaak, dat al bestond voordat de eerste schuttersgilden opgericht
werden. Deze vogel werd geplaatst op een houten paal van ongeveer 16m. hoogte.
Diegene die het laatste stuk van de vogel afschoot eigende zich de komende
periode de titel van koning toe. De factor toeval ontbreekt
begrijpelijkerwijs in dit gebeuren zeker niet, en niet zonder reden: alle
schutters, dus ook de mindere geoefende, kunnen de koningstitel winnen; het is
dus min of meer vragen om een godsoordeel; hierdoor zou de koning "zuiverder"en
"eerwaardiger" zijn. Een koning moest echter wél nog door het
bestuur "waardig" bevonden worden…Indien iemand drie maal achtereen
koning had geschoten, werd deze de titel van keizer toegekend. Van de 2 nog
bestaande Waalwijkse gilden heeft enkel het Baardwijkse gilde St. Ambrosius
een keizer.
Het koningsschap brengt de nodige rechten en verplichtingen met zich mee. één
van de verplichtingen is dat de koning aan het gilde een zilveren schild dient
te schenken. Op dit schild werd naast de naam van de koning, ook vaak het
beroep van de betreffende koning uitgebeeld. In de oprichtringsperiode
van het Besoijense gilde was het lidmaatschap van het gilde slechts
voorbehouden aan schoenmakers,lappers, leerlooiers
enz. De bedoeling hierachter was, om door middel van het gilde de belangen van
deze beroepsgroep te vertegenwoordigen en /of te beschermen. Later is deze
bepaling komen te vervallen, zodat ook andere beroepsgroepen lid van het gilde
konden worden.
Het Besoijense gilde beschikt over een vrijwel complete, en chronologische
verzameling koningszilver. Een hiaat hierin betreft de periode 1906-1919. De
namen van de koningen in die periode zijn welliswaar
bekend, echter ontbreken de betreffende koningsschilden. Onduidelijk is wat
hiervoor de reden is geweest. Verder werd tijdens de tweede wereldoorlog door
het gilde geen koning geschoten, doordat de bezetter de wapens van het gilde
ingenomen had.
Een verzameling koningszilver zoals die van het Besoijense gilde is binnen het
gildewezen eerder uitzondering dan regel. Oorzaak zal waarschijnlijk zijn dat,
in gildetermen gesproken, het Besoijense gilde een
relatief jong gilde is. In de loop der jaren is bij veel gilden n.l. om
uiteenlopende redenen veel van het vaak zeer oude koningszilver verloren
gegaan. Van sommige gilden is zo b.v. bekend dat in de
19e- eeuw het gildezilver door de kerkelijke overheid
is omgesmolten tot kerkzilver.
De collectie koningszilver is bij het Besoijense gilde op twee vesten
(kazuifels) vastgemaakt. Het eerste exemplaar (met koningsvogel en juweel)
wordt in optochten e.d. door de koning gedragen. Vroeger werden bij sommige
gilden de losse koningsschilden ook wel met kleine ringen aan elkaar verbonden
en dan als een ketting om de nek van de koning gedragen. In een dergelijk geval
spreekt men dan wel van een "breuk". Ook het Besoijense zilver is
vroeger als "breuk"gedragen. De hiervoor benodigde gaten zijn in
sommige van de koningsschilden nog terug te vinden.
Bij nagenoeg alle gilden is het zo dat het centrale stuk van de koningsbreuk -
of kazuifel wordt gevormd door een afbeelding van de patroonsheilige(n), op de
zgn. patroonsplaat (ook wel juweel genaamd). Op de Besoijense patroonsplaat
zijn de 2 heiligen afgebeeld met in de ene hand een palmtak, als symbool van
martelaarsschap, en in de andere hand (linkerfiguur) een bijl, een verwijzing
naar de manier waarop zij aan hun einde waren gekomen. De patroonsplaat heeft
een zilvermerk uit 1842.
|
Koningszilver Gilde St. Crispinus &
St. Crispinianus van Besoijen Vanaf de oprichting in 1838 |
|
|
Schildnr. 1 Koningnr.: 1e koning Jaar: 1842 Naam: C. Couwenberg Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. 2 Koningnr. 2e koning Jaar: 1846 Naam: A. van Delft Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. 3 Koningnr. 3e koning Jaar: 1850 Naam: B. Larsen Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. 4 Koningnr. 4e koning (niet vermeld op schild) Jaar: 1853 Naam: A. van Delft Tussenperiode: 3 jaar |
|
|
Schildnr. 5 Koningnr. 5e koning Jaar: 1857 Naam: A. Manders Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. 6 Koningnr. 6e koning Jaar: 1862 Naam: J.A. Dumoulin Tussenperiode: 5 jaar |
|
|
Schildnr. 7 Koningnr. 7e koning (niet vermeld op schild) Jaar: 1865 Naam: C.H. van Rijen Tussenperiode: 3 jaar |
|
|
Schildnr. 8 Koningnr. 8e koning (niet vermeld op schild) Jaar: 1869 Naam: P. Comans Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. 9 Koningnr. 9e koning Jaar: 1873 Naam: C.G. de Bakker Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. 10 Koningnr. 10e koning Jaar: 1878 Naam: J. van den Houdt Tussenperiode: 5 jaar |
|
|
Schildnr. 11 Koningnr.
10e en 11e koning Jaar: 1881 Naam: J. van den Houdt Tussenperiode: 3 jaar |
|
|
Schildnr. 12 Koningnr. 12e koning Jaar: 1885 Naam: W. Brokken Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. 13 Koningnr. 13e koning Jaar: 1889 Naam: J. van den Houdt Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. 14 Koningnr. 14e koning Jaar: 1894 Naam: B. van Delft Tussenperiode: 5 jaar |
|
|
Schildnr. 15 Koningnr. 15e koning Jaar: 1898 Naam: L. van Langen Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. 16 Koningnr. 16e koning (niet vermeld op schild) Jaar: 1902 Naam: J. van Osch Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. - Koningnr. - Jaar: 1906 Naam: C. van Dongen Tussenperiode: - Opm. 3 tussenliggende koningen? |
GEEN SCHILD / AFBEELDING |
|
Schildnr. - Koningnr. - Jaar: 1910 Naam: J. Zeegers Tussenperiode: - Opm. 1906 / 1910 / 1914 |
GEEN SCHILD / AFBEELDING |
|
Schildnr. - Koningnr. - Jaar: 1911 Naam: A. van den Houdt Tussenperiode: - |
GEEN SCHILD / AFBEELDING |
|
Schildnr. - Koningnr. - Jaar: 1912 Naam: B. van Delft Tussenperiode: - |
GEEN SCHILD / AFBEELDING |
|
Schildnr. - Koningnr. - Jaar: 1913 Naam: G. Verhulst Tussenperiode: - |
GEEN SCHILD / AFBEELDING |
|
Schildnr. - Koningnr. - Jaar: 1915 Naam: L. van den Houdt Tussenperiode: - |
GEEN SCHILD / AFBEELDING |
|
Schildnr. 17 Koningnr. - Jaar: 1919 Naam: W. de Graaff Tussenperiode: 17 jaar |
|
|
Schildnr. 18 Koningnr. - Jaar: 1923 Naam: A. v/d Gouw Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. 19 Koningnr. - Jaar: 1927 Naam: M. Bakkers Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. 20 Koningnr. - Jaar: 1931 Naam: J. den Teuling Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. 21 Koningnr. 27e koning Jaar: - Naam: N.H. van Dongen Tussenperiode: 17 jaar |
|
|
Schildnr. 22 Koningnr. - Jaar: 1948 Naam: W. de Louw Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. 23 Koningnr. - Jaar: 1952 Naam: J.P. (Jan) van Hulten Tussenperiode: 4 jaar Opm. Jan is op 20 september 2006 op 84-jarige leeftijd overleden. Hij was bijna 61 jaar lid van ons gilde en met zijn 60-jarig lidmaatschap benoemd tot erelid van ons gilde en ereburger van de gemeente Waalwijk. Twee van Jan zijn zoons en zijn kleinzoon zetten de traditie voort met hun lidmaatschap van ons gilde. |
|
|
Schildnr. 24 Koningnr. - Jaar: 1956 Naam: H. Mulders Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. 25 Koningnr. - Jaar: 1960 Naam: J. Hoevenaar Tussenperiode: 4 jaar |
|
|
Schildnr. 26 Koningnr. 32e koning Jaar: 1964 Naam: Tussenperiode: 4 jaar Opm. Harry is in 2002(?) op 103-jarige leeftijd overleden en met gilde-eer begraven in Besoijen. Zijn zoon Ad en kleinzoon Harry zetten de traditie als gildebroeder voort. |
|
|
Schildnr. 27 Koningnr. 33e koning Jaar: 1968 Naam: L. de Louw H.Zn. Tussenperiode: 2 jaar |
|
|
Schildnr. 28 Koningnr. 34e koning Jaar: 1970 Naam: W. de Louw Sr. Tussenperiode: 2 jaar |
|
|
Schildnr. 29 Koningnr. 35e Jaar: 1972 Naam: H. van Dongen Tussenperiode: 2 jaar |
|
|
Schildnr. 30 Koningnr. - Jaar: 1974 Naam: J. Bierings Tussenperiode: 2 jaar |
|
|
Schildnr. 31 Koningnr. 37e koning Jaar: 1975 Naam: H. Mulders Tussenperiode: 3 jaar |
|
|
Schildnr. 32 Koningnr. - Jaar: 1978 Naam: H. van Dongen Tussenperiode: 3 jaar |
|
|
Schildnr. 33 Koningnr. 39e koning Jaar: 1980-1982 Naam: Tussenperiode: 2 jaar Opm. zie hieronder opm. 40e koning |
|
|
Schildnr. 34 Koningnr. 39e en 40e koning Jaar: 1982-1984 Naam: Tussenperiode: 2 jaar Opm. In 2006, 26 jaar nadat Rion de Gouw Sr. 39e en 40e koning van het gilde heeft geschoten, is zijn zoon Raymond bekroond tot 52e koning; één van de jongste koningen die ons gilde heeft gekend. |
gil |
|
Schildnr. 35 Koningnr. 41e koning Jaar: 1984-1986 Naam: Ton v/d Steen Tussenperiode: 2 jaar |
|
|
Schildnr. 36 Koningnr. 42e koning Jaar: 1986-1988 Naam: Tussenperiode: 2 jaar Opm. Bert is één van de zonen van Jan van Hulten, welke in 1952 de 29e koning van ons gilde was. |
|
|
Schildnr. 37 Koningnr. 43e Jaar: 1988-1990 Naam: Ad de Louw Tussenperiode: 2 jaar Opm. Ad de Louw is tevens meer dan 25 jaar hoofdman geweest van ons gilde. Het pad dat leidt tot ons schietterrein is daarom enkele jaren geleden gedoopt tot “Ad de Louwpad”. Ad is de zoon van Harry de Louw, de 32e koning van ons gilde. |
|
|
Schildnr. 38 Koningnr. 44e Jaar: 1990-1992 Naam: Tussenperiode: 2 jaar Opm. Rion was ook al 39e en 40e koning van ons gilde. Zie opmerkingen aldaar. |
|
|
Schildnr. 39 Koningnr. 44e (moet 45e zijn!!!) Jaar: 1992-1994 Naam: Cees van Hulten Tussenperiode: 2 jaar Opm. Dit betreft Cees zijn eerste koningschap. Ook in 1994, 1998, 2002 èn 2004 zal hij koning schieten. Uitzonderlijk te vermelden dat hij hiermee twee maal de kans heeft gehad om, bij een derde maal achtereenvolgens koning schieten, de eerste keizer uit de geschiedenis van het Besoijense gilde te worden. |
|
|
Schildnr. - Koningnr. 46 Jaar: 1994-1996 Naam: Cees van Hulten Tussenperiode: 2 jaar |
GEEN SCHILD / AFBEELDING |
|
Schildnr. 40 Koningnr. 47 Jaar: 1996-1998 Naam: René van Kuijk Tussenperiode: 2 jaar Opm. René heeft in 2008 voor de tweede maal koning geschoten (53e koning) |
|
|
Schildnr. - Koningnr. 48 Jaar: 1998 - 2000 Naam: Cees van Hulten Tussenperiode: 2 jaar |
GEEN SCHILD / AFBEELDING |
|
Schildnr. - Koningnr. 49e koning Jaar: 2000-2002 Naam: Tussenperiode: |
|
|
Schildnr. - Koningnr. 50 Jaar: 2002-2004 Naam: Cees van Hulten Tussenperiode: 2 jaar |
GEEN SCHILD / AFBEELDING |
|
Schildnr. - Koningnr. 51 Jaar: 2004-2006 Naam: Cees van Hulten Tussenperiode: 2 jaar |
GEEN SCHILD / AFBEELDING |
|
Schildnr. - Koningnr. 52 Jaar: 2006-2008 Naam: Tussenperiode: 2 jaar |
GEEN SCHILD / AFBEELDING |
|
Schildnr. – Koningnr. 53 Jaar: 2008 – 2010 Naam: René van Kuijk Tussenperiode: 2 jaar |
GEEN SCHILD / AFBEELDING |
Koning in de 2e wereldoorlog Nico van Dongen?
Indien iemand meer informatie (met name
fotomateriaal) over één van de bovenvermelde
koningen heeft van de periode vóór 1950, dan zouden wij daar graag van op de hoogte worden gesteld.
Patronen
van schoenmakers, leerlooiers en orthopedisten
De Legende
De gebroeders Crispinus en Crispinianus, afkomstig uit een voorname Romeinse
familie, vluchtten onder de vervolging van Diocletiaan
naar Soissons in Frankrijk. Hier leerden zij het schoenmakersvak
en maakten kosteloos schoenen voor de armen.
Omdat ze via deze weg in contact kwamen met de heidense
bevolking konden zij menigeen bekeren tot het christendom. De Romeinse
prefect Rictiovarus was het hier niet mee eens en
liet hen op talloze wijzen martelen. Omdat ze op geen enkele manier bereid
waren afstand te doen van hun christelijke geloof werden ze met een molensteen om de
hals in de rivier de Aisne geworpen, op wonderbare
wijze van de verdrinkingsdood gered en uiteindelijk met het zwaard onthoofd.
Dat is de kern van de legende rond de twee patroonsheiligen van onze
middeleeuwse schoenmakersgilden.
Een nederduitse vertaling
van de Legenda aurea uit 1485: "Dat duytsche Passionail" zegt
hierover: dat de gebroeders "uit machtige en edele ouders" te Rome
geboren waren, waarna ze naar Parijs gingen om het christelijke geloof te
prediken.
Ze kwamen in Soissons en leerden het schoenmakersvak
en verstonden het vak zo goed dat ze het "boven andere mynsche
kunstlicher konden". Ze deden het niet zozeer om
loon, want ze gaven hun schoenen voor niets weg. Daardoor kwamen ook de
heidenen tot hen en verkondigden zij hun het christelijke geloof.
Maar dat beviel de Romeinse prefect Rictiovarus niet
en hij liet de beide mannen bij zich brengen. "Ynde
sy worden vonden dat sy den
armen mynschen yr schoe lappeden". Hij liet ze
gevangen zetten en probeerde ze van hun geloof af te brengen.
Maar ze gingen daar niet op in. Daarom liet Rictiovarus
hen "bynden" en met stokslagen geselen. En
omdat ze standvastig bleven in hun christelijke geloof deed hij de een na de
ander met scherpe priemen van "yser" in hun
vingers en onder hun nagels martelen. Toen ze ook nu weer standvastig waren,
werden hun leden op de bank uitgerekt, en werden "ryemen"
vlees uit hun schouder gesneden. Maar temidden van hun grote pijnen sprongen de
priemen uit hun vingers en verwondden ze hun beulen "tzo
dem doit", tot dodens toe.
Daar Rictiovarus dit zag, gebood hij dat men ieder een zwaren steen om de hals zou
hangen en in het water en het ijs zou werpen. "want it
was winter". Men deed hetgeen was geboden , maar
noch het ijs deerden hen. Ja zelfs het water was zo
"genoechlich ynd soe lustlich" dat zij
dachten in een warm bad te liggen. De molensteen viel van hun hals en zij
kwamen aan de andere zijde op de oever. Toen Rictiovarus
dit zag werd hij zo kwaad, dat hij hen in gesmolten lood liet werpen.
Toen ze daarin lagen en hun gebed deden, sprong er een druppel lood uit de kuip
in het oog van Rictiovarus "ynd
he wart seer daeran gepinicht inde was blint". Daarop deed men pek en olie samen branden,
maar ook dit hinderde de heiligen niet. Zij baden tot de heer om verlossing uit
hun lijden "tzo schande der duvelen ynd synre dienre
".
Toen ze hun gebed hadden geeindigd , hielp een engel hen uit hun kwelling. Daarop stortte de
rechter zichzelf in het vuur en zo werd gods oordeel
over hem geveld.
De heiligen baden dat God hen spoedig zou halen en hun het loon voor hun
overwinning zou geven. "Ind alsu
geschiede ouch". Want toen keizer Maximilianus hoorde dat Rictiovarus
dood was, gebood hij dat men de heiligen zou onthoofden, en dat geschiedde. Men
wierp de lichamen op de grond voor de beesten en de vogels. Maar Christus
waakte ervoor dat hun lichamen ongedeerd bleven. Hij zond een engel naar een
oude man en beval dat hij de lichamen zou begraven in zijn huis. De man nam
zijn dochter mee, die ook christen was. En zij gingen naar de plaats waar de
onthoofde martelaren lagen.
Daar 's mans huis dicht bij een rivier lag zou men gemakkelijk met een schip de
heiligen daarheen kunnen overbrengen. Maar hij had geen schip, en hij kon ook
niet varen, zodat hij machteloos was om de lichamen tegen de stroom te voeren.
Hij was er bedroefd om geen mogelijkheid te zien om de lichamen daar te brengen
waar hij gedacht had. En als zij bij de stad kwamen, die de engel hun getoond
had, vonden zij de lichamen ongeschonden, en een schip in het water.
Een ieder nam een van de lichamen en ze droegen ze zo gemakkelijk alsof ze
zonder gewicht waren, zodat het scheen dat zij meer door de lichamen zelf
werden gedragen dan dat zij de lichamen droegen. Ze legden de lichamen in het
schip op bevel des heren. En het schip ging in beweging tegen de stroom op en
niemand deed er iets tegen. En ze kwamen te land voor hun woning. En toen de vervolging over was, betoonde God de
christenmartelaren eer door mirakelen die daar geschiedden. En daar werd door
de christenen ter ere van de heiligen een grote kerk gebouwd.
Dat is het verhaal dat de vijftiende-eeuwse mensen konden lezen in het passionaal van Jacobus de Voragine.

Fresco uit kerk
van H. Johannes en Paulus op de Caelius te Rome,
waarop onthoofding van Crispinus en Crispinianus
zou zijn uitgebeeld samen met een Benedicta. (+/- 4 e eeuw n.Chr.)
Rijmelarijen:
Sinte Crispinus en Crispiniaan
De een was blootsvoets en de ander had geen schoenen aan.
Sinte Crispinus zeit:
Het loon verzoet de arrebeid.
Zou het loon den arbeid niet verzoeten,
Dan zou de schoenmaker de poort uit moeten.
Hier in Krispijn kan men de mensch
uit beestenvellen,
Elk schoenen na zijn voet voor gelt terstont bestellen.
Dog menig beest alhier steekt in een menschenvel,
draagt zelf zijn broeders huit, en 't staat dat beest
nog wel.

Afbeelding van Crispinus & Crispinianus met verwijzingen naar hun beroep en verwijzing naar hun martelaarschap
Ø Concentratie in 'De Langstraat'
Ø Looierij
Ø Hard werken voor weinig loon
Ø Gedwongen winkelnering in Kaatsheuvel
Ø Discriminatie bij Van Schijndel
Ø De oorlog - winst en verlies
Ø Fusie
Schoeisel behoort tot de basisproducten en wordt reeds
eeuwen vervaardigd door ambachtslieden. In 1820 zijn in Nederland meer dan
een kwart van alle schoenmakerijen en looierijen in Noord-Brabant
gevestigd. Bijna een eeuw later is dat zelfs meer dan driekwart. Mechanisatie
komt betrekkelijk laat op gang. Het kleinbedrijf en de huisindustrie zijn tot
in de twintigste eeuw dominant. Omstreeks 1890 ontstaan de eerste fabrieken. De
organisatie onder de lederbewerkers komt pas echt goed op gang in 1905 met de
oprichting van de Diocesane Lederbewerkers-Arbeidersbond.
Ook al bestaat er vrijheid van vereniging de lederbewerkers moeten het recht op
organisatie fel bevechten.
Wie Langstraat zegt, denkt nog steeds aan leer en schoenen. Mogelijk het
belangrijkste wat nu nog aan de leer- en schoenindustrie doet denken, is het Nederlands Leder-
en Schoenenmuseum te Waalwijk. Reeds in het midden van de achttiende eeuw
worden in de Langstraat schoenen geproduceerd voor de Hollandse markt. Dat valt
af te leiden uit het verbod op de invoer van schoenen uit Brabant in de
Hollandse steden. In 1810 is er in en rond Waalwijk (Besoyen,
Kaatsheuvel en Sprang) éénderde (ca. 750 personen) van de beroepsbevolking als
schoenmaker actief. De opheffing van de gilden - in 1818 - maakt een eind aan
het invoerverbod en de Langstraatse schoenmakerij
vertoont een sterke groei tot 1850. Het wegvallen van de gildenbeperkingen is
niet de enige verklaring van deze groei. De lage lonen op het Brabantse
platteland, het op grotere schaal inkopen van grondstoffen en het vervaardigen
van een minder luxe product, waardoor een bredere markt kan worden bereikt,
zijn minstens even belangrijke verklaringen. Vanaf de jaren zestig van de
twintigste eeuw legt de een na de andere looierij en schoenfabriek het loodje.
Tussen 1967 en 1976 loopt de werkgelegenheid in de schoen- en lederindustrie
terug van 19.900 naar 9.300 arbeidsplaatsen. Slechts een enkel bedrijf is nu
nog in de Langstraat actief.
De schoenen werden veelal 'aan huis' vervaardigd. Een schoenmakersbaas geeft
opdracht voor het maken van schoenen aan thuiswerkers. Deze thuiswerkers houden
zich vooral bezig met de laatste fase van het productieproces: het bevestigen
van de schacht (het bovenwerk) aan de binnen en buitenzool en met de afwerking.
Het snijden van het leer gebeurt bij de baas thuis. Het aaneen stikken van de
verschillende onderdelen van de schacht wordt meestal uitbesteed aan
vrouwelijke arbeidskrachten.
Over de omvang van dit soort ondernemingen zijn van vóór
1860 slechts gegevens uit Waalwijk beschikbaar. Naast een enkele grote
onderneming met meer dan 25 Thuiswerkers, gaat het vooral om kleine baasjes met
minder dan 15 thuiswerkers. Slechts enkele van deze ondernemingen -
bijvoorbeeld Hollandia en Timtur
- halen de twintigste eeuw. Na een stagnatie tussen 1845 en 1860 begint een
periode van bloei, die ongeveer twee decennia aanhoudt. Tot 1880 groeit het
aantal mannelijke schoenmakers in de Langstraat van 4.000 tot 7.000. Deze
bloeiperiode is een gevolg van de introductie van de stikmachine, die het
schoeisel goedkoper maar ook steviger maakt, en een groeiende markt. De sterk
groeiende arbeidersbevolking in de steden vraagt om meer schoenen.
Net als bij de schoenmakerij is er bij de looierij gedurende de negentiende
eeuw sprake van een concentratieproces in de richting van centraal
Noord-Brabant. De aanwezigheid van een omvangrijke schoenindustrie bevordert
dat proces. Looien gebeurt tot 1890 uitsluitend in kuipen. In deze kuipen
(putten in de grond) worden de (onthaarde) huiden om en om met lagen gemalen
eikenschors opgeborgen. De putten worden vervolgens gevuld met water, waarna
het looien begint. Afhankelijk van de aard van de huiden en de gewenste
kwaliteit leer duurt het looien een tot twee jaar. Het maakt het tot een
kapitaalsintensief bedrijf met betrekkelijk weinig werknemers. In de
bloei-jaren van de schoenindustrie (1860-1880) kent ook de leerlooierij een
'gouden tijd'. De productie verdubbelt in die jaren.
Omstreeks 1900 komen er stoomfabrieken met een volledig gerationaliseerd en
gemechaniseerd productieproces. Het vervaardigen van schoenen is een tamelijk
ingewikkeld proces dat bestaat uit een groot aantal verschillende handelingen.
Pas na 1900 slaagt men er in om het zwikken - verbinden van de schacht aan de
binnen- en buitenzool - te mechaniseren.
De introductie van kleinere gas- en elektromotoren mechaniseert het stansen,
schuren en poetsen. In 1890 is de Nederlandse schoenenproductie vier à vijf
miljoen paar. De helft hiervan is gefabriceerd in centraal Noord-Brabant. In
1930 ligt de productie op tien miljoen paar waarvan 75% is gemaakt in
Noord-Brabant. De gehele Nederlandse schoenenproductie is in veertig jaar tijd
verdubbeld, maar in Brabant verdrievoudigd. Het gaat na 1890 nog redelijk met
de schoenmakerij als huisindustrie. De fabriek kan de concurrentie op kwaliteit
(nog) niet aan, terwijl de lage stuklonen, het onbetaald inschakelen van huisgenoten
en de lange werktijden van de thuiswerker prijsconcurrentie mogelijk maken.
Omstreeks 1910 is het fabrieksmatig produceren van schoenen zover gevorderd dat
nog maar de helft van de schoenmakers thuiswerkers zijn. In de jaren die volgen
zal het thuiswerk steeds verder terrein verliezen. Ook in de looierij is er aan
het eind van de negentiende eeuw sprake van modernisering. Het looien in kuipen
betekent letterlijk dat het bedrijfskapitaal lange tijd in de grond zit.
Verkorting van het looiproces is dan ook een eerste doel bij de modernisering.
Er komen andere looimiddelen en in plaats van kuipen komen er roterende vaten.
De ambachtelijk kuiplooierij neemt steeds verder af. In 1910 zijn er 392
kuiplooierijen. In 1930 nog maar 69.
Het leven van de leerbewerkers en schoenmakers aan het eind van de negentiende-
en het begin van de twintigste eeuw is een hard bestaan. De lonen zijn laag, de
werktijden lang en met name de thuiswerkers worden geconfronteerd met gedwongen
winkelnering, waardoor nog eens een aanslag wordt gedaan op het schrale
inkomen. Om te voorkomen dat men geheel brodeloos wordt bij ziekte en ter
bestrijding van de onkosten bij begrafenis worden in Tilburg in het begin van
de negentiende eeuw gilden opgericht. Deze gilden - die niets met de
middeleeuwse gilden van doen hebben - zijn fondsen die rond het midden van de
negentiende eeuw een uitkering bij ziekte kennen van vijf stuivers per dag. Ter
vergelijking het normale inkomen in die tijd is een gulden per dag. Bij
overlijden wordt aan de weduwe achttien gulden uitgekeerd. Tilburg kent zes van
deze fondsen, waar onder die van de schoenmakers- en leerbewerkers. Het zijn de
eerste vormen van vereniging onder de schoen- en leerbewerkers, al is er nog
geen sprake van vakactie.
Door de vele thuiswerkers is er lange tijd geen basis voor vakorganisatie. Het
ontbreekt de thuiswerkers aan machtsmiddelen tegenover de patroons. Staken is
voor hen, zowel financieel als organisatorisch gezien, vrijwel onmogelijk. Deze
'knechting' wordt door de werklieden met een 'verbitterde berusting' ondergaan.
Van tijd tot tijd uit zich dat in uitbarstingen van geweld. Met de opkomst van
de fabrieken ontstaan aan het eind van de negentiende eeuw in verschillende
Brabantse plaatsen verenigingen van schoenmakers. In 1901 en 1902 leidt verzet
tegen de gedwongen winkelnering tot het oprichten van verbruikerscoöperaties.
Eerder al - 29 november 1899 - is te Waalwijk de “Vereeniging
van Belangstellenden voor de Schoenindustrie” opgericht, die als doel heeft de
afschaffing van de gedwongen winkelnering en de instelling van een kamer van
arbeid voor het schoenmakersbedrijf. Alphons de
Vries, meesterknecht bij de schoenfabriek van Van
Schijndel, breekt tijdens de oprichtingsvergadering een lans voor het oprichten
van afzonderlijke vakverenigingen voor werklieden en patroons. De ondernemers
in de leder- en schoenindustrie organiseren zich begin 1900 in de “Nederlandsche Bond van Lederfabrikanten” en de “Algemeene Nederlandsche Bond van
Schoenfabrikanten”. Daarnaast komen er plaatselijk R.K. patroonsverenigingen
tot stand.
Het verzet tegen de slechte arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden komt
tot uiting in een aantal spontane stakingen. In Kaatsheuvel hebben een drietal
schoenfabrikanten een afspraak gemaakt om voortaan geen werknemers meer van
elkaar in dienst te nemen. Kort daarna wordt door één van de drie duchtig in de
lonen gesneden. Op 27 november 1900 leggen de werknemers het werk neer om de
loonsverlaging ongedaan te maken. De schoenfabrikant is bereid gedeeltelijk de
verlaging ongedaan te maken. Het gedeeltelijke succes van de staking doet de
andere schoenfabrikanten voorlopig afzien van loonsverlaging.
Op 30 mei 1903 wordt gestaakt bij Van Schijndel te Waalwijk. Vijftien stiksters hebben het werk neergelegd in verzet tegen de tirannieke houding van de patroon, het boetesysteem, de onderbetaling bij overwerk en de borgstelling van 1% van het loon tegen voortijdige opzegging van het dienstverband. De staking duurt vier dagen en eindigt met volledige inwilliging van de eisen van de staaksters. Wel krijgen twee staaksters ontslag. Enige maanden later is er te Kaatsheuvel een kleine staking tegen een loonsverlaging. De staking wordt gewonnen. Daarna zijn er nog arbeidsconflicten in Oisterwijk (1903), Besoyen (1904) en Oosterhout (1906).
Van de in de eerste jaren van de twintigste eeuw opgerichte plaatselijke verenigingen van schoenmakers en lederbewerkers gaat weinig uit. Er is geen sprake van vakactie en de verenigingen beperken zich tot fondsactiviteiten. Het duurt tot 1905 voordat de Diocesane Lederbewerkers-Arbeidersbond St. Crispijn en Crispinianus wordt opgericht. Zeven plaatselijke verenigingen met gezamenlijk 500 leden sluiten zich aan. In de eerste jaren van zijn bestaan blijven de activiteiten van de bond beperkt tot het maken van propaganda voor de vakbeweging, het verlenen van hulp bij de oprichting van plaatselijke vakverenigingen en het versterken van de organisatie. De geestelijke adviseur van de bond, kapelaan De Wit, houdt een pleidooi voor het oprichten van een stakingskas, een propagandafonds en voor het uitgeven van een eigen blad. Er ontstaat een discussie over het Katholieke karakter van de bond. De eerder genoemde Alphons de Vries verzet zich tegen de overheersende rol van de geestelijke adviseur. De Vries vindt echter geen steun voor zijn visie. Als in 1907 een stakingskas wordt ingesteld moet daarvoor de contributie worden verhoogd. Het gevolg is een ernstig ledenverlies.
Het vakblad De Lederbewerker verschijnt vanaf januari 1908 als weekblad onder
redactie van de nieuwe geestelijk adviseur L. van Heeswijk.
Dat een weerstandskas geen luxe is zal weldra blijken. In 1908 komt het in Hilvarenbeek tot een conflict om het recht van vereniging.
Drieëntwintig schoenmakers worden uitgesloten. De uitsluiting zal 118 dagen
duren. Het recht van organisatie wordt erkend. Tot soortgelijke conflicten komt
het ook in Moergestel en Kaatsheuvel.
In Kaatsheuvel groeit de vakorganisatie van lederbewerkers sterk. In januari
1908 zijn er 140 leden en een jaar later al 457. Door gerichte vakactie bereikt
men dit resultaat. Met de schoenmakers wordt per fabriek vergaderd over hun
grieven en hoe daar wat aan te doen. Bij een van de fabrieken wordt door
onderhandeling een aangekondigde loonsverlaging voor de zwikkers ten dele
teruggedraaid. De ernstigste grief in Kaatsheuvel is de gedwongen winkelnering.
De lederbewerkersbond start een actie tegen de
winkeldwang en met succes. Binnen een maand hebben reeds vijf patroons besloten
hun winkel te sluiten en vijftien patroons hebben de gedwongen broodverkoop
afgeschaft. De verhouding tussen de patroons en hun werknemers is er echter
niet beter op geworden. Twee korte stakingen in het begin van 1909 met het doel
uniforme arbeidscontracten te krijgen worden door de bond gewonnen. Gesterkt
door dit succes zet de bond de actie tegen de gedwongen winkelnering krachtig
voort. De patroons krijgen een voorstel voor sluiting van de winkels. De
patroons geven geen antwoord en het gevolg is een koopstaking van de
werknemers. Er vallen enkele ontslagen en stukwerkers moeten dermate lang
wachten op de aanvoer van materiaal dat zij hun loon niet meer kunnen
verdienen. Een verzoek van de bond om deze maatregelen in te trekken leidt
opnieuw tot ontslagen. Als reactie op deze ontslagen gaan 17 collega's in
staking. Ook bij andere patroons vallen ontslagen met als excuus: vermindering
van werk. De bevolking van Kaatsheuvel staat in meerderheid achter de acties en
door de financiële steun van het R.K. Vakbureau en andere organisaties kan de
strijd tot een goed einde worden gebracht. Bij die bedrijven waar de bond veel
leden heeft verdwijnen de winkels. Enkele werklieden zijn door de werkgevers op
de 'zwarte lijst' geplaatst en vinden in Kaatsheuvel geen werk meer. Voor hen
wordt de werkverschaffings-onderneming 'Aguila' opgericht, die start met vijf werknemers en een
kapitaal van 1500 gulden. De lederbewerkersbond
slaagt er hetzelfde jaar ook in om in Loon op Zand de gedwongen winkelnering af
te schaffen.
De schoen- en lederbewerkers zullen nog jaren strijd moeten leveren voor
erkenning van de organisatie, voor afschaffing van de gedwongen winkelnering en
voor redelijke arbeidsvoorwaarden. Welhaast per plaats moet het recht van
organisatie worden veroverd. De afdeling Waalwijk/Besoyen
verspreidt in mei 1910 een pamflet bij de grote schoenfabrieken met een oproep
tot organisatie. Met name vrouwelijke personeelsleden van Van
Schijndel geven gehoor aan de oproep. Veertig van de
54 vrouwen die op de fabriek werken worden lid van de bond. Van Schijndel
beantwoordt de organisatiebereidheid met discriminatie van de vakbondsleden en
stelt uiteindelijk een aantal de keus: bedanken voor het lidmaatschap of
ontslag. Het wordt ontslag.
Door bemiddeling van Prinsen, de geestelijk adviseur van de Bossche Diocesane Bond, kan het conflict voor een korte tijd worden bijgelegd. De schoenfabrikanten verklaren het recht op organisatie volledig te erkennen en de afdeling Waalwijk/Besoyen erkent mogelijk wat onbesuisd te zijn geweest in hun aanpak. De vrede is slechts van korte duur aangezien Van Schijndel doorgaat met het pesten van vakbondsleden. Een strenge handhaving van orde en tucht en het veelvuldig uitdelen van boetes verpesten de sfeer in het bedrijf. Als een van de stiksters een boete krijgt opgelegd voor het lenen van een glas van een collega om wat water te drinken, barst de bom. Daags daarvoor was er ook al een bondslid zonder goede reden ontslagen. Anna Bergmans, voorzitter van de meisjesafdeling van de bond, stopt het werk en roept haar collega's op om in actie te gaan. Alle georganiseerden staan achter haar en 44 vrouwen en 30 mannen verlaten op 24 augustus 1910 de fabriek met het vaste voornemen er niet weer te keren aleer de baas zijn vijandige houding jegens de bond en zijn leden heeft opgegeven.
De staking heeft een grote invloed op de Waalwijkse gemeenschap. Het dorp is verdeeld in twee kampen. Het straatbeeld wordt beheerst door marechaussee te paard. Er vinden grote openbare vergaderingen plaats. Nadat op 15 september de eerste onderkruiper door een joelende menigte is ontvangen, kondigt de burgemeester een samenscholingsverbod af. Een menigte mannen, vrouwen en kinderen - nog niet op de hoogte van het verbod - wordt door een grote politiemacht uiteengeslagen. De lederbewerkersbond maant de stakers om kalm te blijven en geen geweld te gebruiken tegen onderkruipers en zoveel mogelijk van de straat te blijven. De meerderheid van de Waalwijkse bevolking is op de hand van de stakers. De steun aan de stakers is omvangrijk. Een manifest uit de bevolking roept Van Schijndel op om met de bond te gaan onderhandelen. Het lukt Van Schijndel om met onderkruipers het bedrijf min of meer aan de gang te houden. Het conflict zit muurvast. Van Schijndel weigert een gesprek met de bond alvorens hij excuses heeft gekregen en dan nog wil hij uitsluitend praten met Jan van Rijzewijk, de voorzitter van het R.K. Vakbureau en Bernard Vesters, secretaris van de lederbewerkersbond. De bond wijst deze voorwaarden af en er komt geen gesprek. In november wordt de staking als verloren beschouwd. De staaksters en stakers kijken uit naar ander werk. In december wordt besloten alle contacten met Van Schijndel te vermijden en bondsleden te verbieden bij het bedrijf te werken. In februari 1911 wordt besloten de staking voort te zetten en dat blijft zo als een halfjaar later alle stakers en de meeste staaksters ander werk hebben gevonden. De staking zal nooit officieel worden opgeheven en in 1913 wordt nog een lid, omdat hij bij Van Schijndel is gaan werken, geroyeerd.
De staking heeft gevolgen voor de geestelijk adviseurs. Van Heeswijk wordt overgeplaatst van Kaatsheuvel naar Tilburg
en de geestelijke adviseur van de afdeling Waalwijk/Besoyen,
kapelaan Ch. De Wijs, naar Veghel. De Wijs heeft zich
in de ogen van de Waalwijkse burgerij onmogelijk
gemaakt. De bisschop van Den Bosch was wel zo goed om aan de burgerij
genoegdoening te verschaffen. Twee maanden na zijn overplaatsing overlijdt De
Wijs, gebroken door de vernedering die hem is aangedaan.
In 1912 nadat de afdeling Tilburg ten tweeden male is opgericht, richt deze
zich in haar propaganda vooral op enkele grotere schoenfabrieken, die daar
echter niet van gediend zijn. Het eerste conflict vindt plaats bij de firma Van
Arendonk. De werkgever sommeert zijn personeel de
bond te verlaten anders volgt ontslag. Na een eerste ontslag verlaat het
personeel de organisatie. In een bemiddelingsgesprek verklaart Van Arendonk dat hij geen bezwaar heeft tegen een goede
katholieke vakorganisatie. Enkele werknemers worden weer lid, maar al snel
blijkt dat er niets is veranderd in de houding van de fabrikant. Als begin 1913
een van de leden van de bond wordt ontslagen en andere leden slechter werk
krijgen opgedragen, zodat ze minder loon verdienen, wordt er een
protestvergadering belegd. Opnieuw worden twee leden ontslagen. De bond slaagt
er niet in bij de firma Van Arendonk binnen te komen.
93 werknemers tekenen een open brief waarin gewag wordt gemaakt van de goede
verhoudingen in het bedrijf. Een bemiddelingspoging van het Tilburgse
Comité voor de Katholieke Sociale actie mislukt. De meeste werknemers bij Van Arendonk blijven ongeorganiseerd. Bij het bedrijf van de
Van Arendonks in Oisterwijk
is het van hetzelfde laken een pak.
Enige maanden later is het weer raak, nu bij de firma Blankers. Het is hetzelfde patroon: leden van de bond worden geïntimideerd, er vallen ontslagen, overleg wordt door de werkgever geweigerd. Nieuw is echter dat de firma Blankers op 17 januari 1914 voor alle werknemers ontslag aankondigt. Een ieder kan weer in dienst treden mits een verklaring wordt getekend waarin staat dat zij zich van elke actie zullen onthouden en niet aan een staking zullen deelnemen. Vrijwel alle leden van de bond weigeren de verklaring te tekenen. Met ingang van 26 januari staan 107 werknemers - leden van de bond - buiten de fabriek. Dit aantal groeit tot 131, aangezien een aantal niet- en anders georganiseerde werknemers uit solidariteit het werk neerleggen.
Ook de werknemers hanteren een nieuw middel in de strijd. Zij roepen op tot een
consumentenstaking bij de winkels die de firma Blankers
in een groot aantal steden exploiteert. Door stakers wordt bij de winkels
gepost en in allerlei arbeidersbladen wordt opgeroepen de boycot te steunen.
Het helpt. Op 16 april wordt de actie beëindigd nadat Blankert
het verenigingsrecht heeft erkend en toezegt de uitgesloten werknemers weer aan
het werk te laten gaan zonder rancunemaatregelen. Tevens is er de afspraak dat
onderhandeld zal worden over de lonen. De actie is een volledig succes ondanks
het feit dat de firma Blankert het akkoord maar
moeizaam uitvoert.
Verbetering van arbeidsvoorwaarden - de lonen voorop - krijgt een steeds
grotere plaats in de taken van de bond. Het begint met de afdelings-
of fabrieksvergadering waar de looneis wordt vastgesteld. De bond stelt een
brief op aan de werkgever of de patroonsvereniging met het loonvoorstel. Steeds
wordt te kennen gegeven dat er de bereidheid is om over het voorstel te
onderhandelen. Komt er geen antwoord of is het resultaat onvoldoende, dan volgt
een ultimatum. Vaak leidt dat tot overeenstemming. In een aantal gevallen leidt
het ook tot een staking zoals in 1911 in Hilvarenbeek
en in 1913 in Loon op Zand. Dankzij de loonacties weet de lederbewerkersbond
tussen 1910 en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog de lonen in tal van
plaatsen flink te verbeteren. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog
worden een groot aantal fabrieken (deels) stopgezet. Het veroorzaakt een grote
werkloosheid in de schoen- en lederindustrie. Het vermogen van de centrale
werklozenkas van de Lederbewerkersbond valt terug tot
minder dan 25% van het aanvankelijke vermogen. Aan het eind van 1914 neemt de
werkloosheid af en slaat om in een periode van ongekende voorspoed. Door een
'aanvallend beleid' slaagt de bond erin de lonen en andere arbeidsvoorwaarden
aanzienlijk te verbeteren. De bond groeit zowel in leden als in afdelingen. Er
komen nu ook afdelingen buiten Noord-Brabant. Door het overschrijden van de
provinciegrenzen wordt de katholieke lederbewerkersbond
in toenemende mate geconfronteerd met de “Nederlandsche
Vereeniging van Fabrieksarbeiders” (NVvFA) aangesloten bij het NVV,
die op haar beurt de aandacht gaat richten op het zuiden en afdelingen opricht
in Waalwijk en Tilburg. Het ledental van de lederbewerkersbond
is tijdens de oorlogsjaren meer dan verdubbeld. Van 2100 in 1914 tot 4700 -
waarvan 650 vrouwen - in 1918.
Het einde van de Eerste Wereldoorlog betekent crisis in de schoenindustrie. In
1920 en 1921 is de werkloosheid onder de schoenmakers enorm. Weliswaar hebben
de schoenfabrikanten tijdens de oorlog aanzienlijke winsten gemaakt, maar ze
hebben verzuimd om daarmee te investeren. In het buitenland hebben ze niet stil
gezeten en de Nederlandse schoenindustrie kan de concurrentie met hen niet aan.
De invoer van schoenen en leer uit het buitenland neemt meer en meer toe. In
1921 is 60% van de leden van de bond werkloos. Ondanks verlaging van de
uitkering gaat er per maand ruim 80.000 gulden aan uitkeringen de deur uit. In
de loop van 1922 komt de bodem van de werkloze kas in zicht. De overheid moet
bijspringen en de uitkeringsvoorwaarden verslechteren. In 1922 staat het
overgrote deel van de schoenfabrieken geheel of gedeeltelijk stil. De lederbewerkersbond kan het niet meer aan en in april 1923
worden uitkeringen stopgezet en moeten de werkloze lederbewerkers naar de
steun.
De Nederlandse overheid grijpt naar de 'noodrem' en er komt
in 1923 een 'schoenenwetje' die de import van schoenen sterk aan banden legt.
Er breken nu weer betere tijden aan voor de schoen- en leerindustrie. Eind 1923
is 91% van de potentiële arbeidsplaatsen weer bezet. De werklozenkas van de
bond kan weer normaal gaan functioneren. Het aantal leden van de bond is
inmiddels wel gevoelig gedaald. Het hoogste ledental ooit is op 1 januari 1921
bereikt met 8088 leden. Op 1 januari 1924 zijn er nog maar 3745 leden.
Vanaf begin 1924 voert de lederbewerkersbond
fusiebesprekingen met 'St. Willibrordus', de R.K. Fabrieksarbeidersbond. Het sterk verminderde ledental heeft
het zelfstandig bestaansrecht van de bond aangetast. Er is ook versterking
nodig voor de afdelingen van de bond boven de rivieren. Het eensgezinde
optreden van de bond wordt bemoeilijkt door de grote verschillen in loon tussen
de steden boven de rivieren en Brabant. De lederbewerkersbond
gaat uit van een tijdelijke situatie, getuige de brief die aan de bisschop
wordt gezonden voor toestemming voor de fusie. Zodra de bond weer sterk genoeg
zou zijn gaat ze zelfstandig verder. De fusie op 1 juli 1924 maakt echter een
definitief einde aan het bestaan van de “Nederlandsche
R.K. Lederbewerkersbond”.
Bronnen:
· Drs. Henk van Doremalen, De boeiende historie van Tilburg, de Tilburgers en hun strijd om het bestaan in: Ach lieve tijd Tilburg (Zwolle 1994)
· C.J. Kuiper, Uit het rijk van den arbeid. Ontstaan, groei en werk van de Roomsch-Katholieke vakbeweging in Nederland. Deel 1 en 2 (Utrecht 1924 en 1927)
· C.A. Mandemakers, De ontwikkeling van de schoen- en lederindustrie, ca. 1800-1990 in: Textiel-, kleding-, schoen e.a. lederwarenindustrie (Amsterdam 1993)
· Jos van Meeuwen, Roestenberg, Cornelis in: Biografisch Woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. Deel 4. (Amsterdam 1990)
· Jos van Meeuwen, Zo rood als de roodste socialisten (Amsterdam 1981)