Your browser version is outdated. We recommend that you update your browser to the latest version.

Functies, taken en gebruiken bij het gilde

 

Hoofdman

Het bestuur van het gilde (vroeger ook wel ‘directie’ genoemd) heet volgens de statuten tegenwoordig ‘Overheid’ en bestaat uit een eerste en tweede hoofdman, een eerste en tweede secretaris, een penningmeester, twee dekens en de regerend koning. Een speciale bepaling is in het reglement opgenomen over eventuele familieleden binnen het bestuur: vader, zoon of schoonzoon mogen niet gelijktijdig deel uitmaken van de Overheid. De voorzitter voert de titel ‘hoofdman.’ Vroeger had hij conform het reglement een ‘redenerende, beslissende en gebiedende stem.’ Heden ten dage zijn zijn bevoegdheden min of meer te vergelijken met die van een voorzitter van een willekeurige andere vereniging. Bij officiële gelegenheden is de hoofdman te herkennen aan de hoofdmanstaf, waarin behalve een afbeelding van Sint Crispinus en Sint Crispinianus ook de namen van zijn voorgangers gegraveerd zijn. Eén erehoofdman heeft het gilde gekend en wel in de persoon van Wim de Louw. Een zeer bijzondere positie nam ook Jan Baptist de Bakker, een van de eerste hoofdmannen van het gilde, in. Voor alle bestuursfuncties zouden volgens het reglement van 1880 om de vier jaar verkiezingen plaatsvinden, maar ‘de thans zijnde Hoofdman J. de Bakker,’ zo werd uitdrukkelijk bepaald, ‘blijft Hoofdman zoolang zijn lidmaatschap blijft voortduren of als hij zulks verkiest.’ Zijn 40-jarig jubileum als hoofdman werd op 29 juni 1881 met een groot feest gevierd. Voorafgegaan door harmonie Sint Crispijn van Waalwijk en Besoijen en een ‘achttal maagdekens,’ met alle gildebroeders in zijn gevolg en gadegeslagen door honderden belangstellenden en nieuwsgierigen, werd De Bakker in een rijtuig (voor de gelegenheid ‘afgestaan door de heer Van Heijst uit Waalwijk’) door Besoijen gereden. Aan de jubilaris werd door het gilde een portret aangeboden, gemaakt door Dorus van Delft, vader van de bekende kunstschilders Jan en Theo van Delft en directeur van de Waalwijkse Teekenschool. Over de totstandkoming van dit portret verhaalde zoon en toenmalig gildehoofdman Egidius de Bakker in 1888: ‘Om den algemene geestdrift te schetsen van die eerste leden zou te lang zijn te verhalen. Enkele zijn mij nog levendig voor den geest gekomen om reden deze herhaalde malen te hebben aangehoord. Namentlijk eer deze schilderij, die wij hier voor ons zien, in hun bezit was zijn zoveel uitstapjes gemaakt en glaasjes gedronken, zijn zoveel genoegelijke bijeenkomsten en bezoeken aan den kunstschilder gebracht, waarbij menige vrolijke scène plaatsvond, onder andere deze die mij nog te binnen valt. Dit kunststuk werd in den beginne aan geen persoon buiten de leden vertoond zonder dat de gevraagde contributie, zijnde een halve flesch verteer, betaald was en met ontdekte hoofden de glaasjes genuttigd op het welzijn van den Patroon.’ De Bakker overleefde zijn jubileum slechts enkele maanden. Hij overleed op 1 november 1881 waarna hij enkele dagen later door zijn gildebroeders ten grave werd gedragen. Het schilderij van Jan Baptist de Bakker is helaas uit Waalwijk verdwenen, maar ook van erehoofdman Wim de Louw is een schilderij gemaakt (collectie familie De Louw)

Overzicht hoofdmannen vanaf de oprichting van het gilde tot heden 

1)   J. de Bakker              juni 1841             01-11-1881

2)   E.G. de Bakker        13-11-1881           05-05-1906

3)   L.van Langen          04-06-1906      24-01-1907

4)   M. Verhagen           04-03-1907       08-03-1952

5)   W. de Louw             07-07-1952

6)  J. van Hulten           06-04-1970

7)   A.T. de Louw           03-02-1975

8)   M.J. van Loon         04-04-1988        07-05-1990

9)   A.T. de Louw           07-05-1990        03-05-1990

10)  R. van Kuijk             03-05-2004       heden

 

Secretaris

De eerste secretaris (of bij diens afwezigheid zijn plaatsvervanger, de tweede secretaris) zorgt voor een deugdelijke verslaglegging van alle vergaderingen en andere belangrijke zaken. Hoewel in de praktijk die notulen voortaan met behulp van de computer worden gemaakt, wordt het handgeschreven gildeboek nog steeds in ere gehouden. Telkens als een verslag is vastgesteld, wordt het door Ria Duquesnoy, echtgenote van gildebroeder René, met de hand overgeschreven in het grote gildeboek. Ria houdt daarmee zowel een gilde- als een familietraditie in stand, want jaren eerder schreef haar mans tante Trees voor haar vader Adrianus Duquesnoy, die in de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw secretaris van het gilde was, de notulen ‘in het net’ over in het grote boek.

 

Penningmeester

Het penningmeesterschap is een functie die pas sinds de laatste decennia aan de overheid is toegevoegd. Tot die tijd was het innen van de contributies (en niet te vergeten de vele boetes) alsmede het ‘nauwkeurig notitie daarvan houden’ namelijk een taak van de tweede secretaris.

 

2e Hoofdman

 

Eerste en tweede deken

Een hoofdstuk apart vormen de dekens. Naast het bewaken van ‘orde en eendragt’ en de zorg voor de ornamenten (taken die zij nog steeds uitoefenen) werden zij in 1880 ‘bijzonder belast’ met het letten op de naleving van het bepaalde in artikel 20 van het reglement: ‘Verder is ieder lid verplicht steeds mede te werken tot de groei en bloei van het gezelschap; immer beleefd en vriendelijk met elkander om te gaan; alle onbetamelijkheden, onzedige gesprekken, vloeken of dergelijke, zorgvuldig te vermijden. Mocht hieromtrent zich iemand schuldig maken, vervalt deze in een boete van tien cents en zal bij herhaling verplicht zijn de kamer te verlaten ofwel als lid vervallen.’ Van iedere overtreding dienden de dekens direct kennis te geven aan de secretaris. Deze meldingsplicht is tegenwoordig niet meer van kracht, het artikel zelf -behoudens de boetebepaling- nog wel!

Koning

‘Om de vier jaren zal de Koningsvogel afgeschoten worden; die alsdan de vogel afschiet, wordt aanstonds tot Koning verheven en gekroond.’ Zo was de regel in 1880. Het ‘vogel schieten’ is een zeer oud volksvermaak, dat al bestond voordat de eerste schuttersgilden werden opgericht. Op een houten paal van circa 16 meter hoog werd een houten vogel geplaatst. Degene die het laatste stuk van de vogel afschoot, mocht zich koning noemen. Alle schutters, dus ook de minder geoefenden, konden op deze wijze met wat geluk de koningstitel winnen. Het was dus, zo redeneerde men, vragen om een godsoordeel, waardoor de koning ‘zuiverder’ en ‘eerwaardiger’ zou zijn. Degene die zich op deze wijze tot koning schoot, moest echter nog wel door de overheid ‘waardig’ bevonden worden voordat hij als zodanig geïnstalleerd werd4 . Sinds 1968 wordt binnen het gilde van Sint Crispinus & Sint Crispinianus om de twee jaar geschoten voor het koningschap en al sinds langere tijd is niet meer het afschieten van het laatste gedeelte van de vogel bepalend, maar het hoogste aantal behaalde punten bij het schieten op de ‘wip.’ De ‘wip’ is een metalen plaatje dat boven op een schietboom geplaatst is. Wanneer de wip door een schutter is geraakt, dan kan het middels een daaraan verbonden touwtje vanaf de grond weer opgetrokken worden. Op de dag van het koningschieten (vroeger tijdens de kermis, sinds 1968 bij de seizoensopening op Tweede Paasdag) wordt de regerend koning door zijn gildebroeders met groot ceremonieel thuis opgehaald, waarna men zich in optocht naar het schietterrein begeeft. Op het terrein aangekomen trekt de stoet driemaal om de schietbomen heen, teneinde de boze geesten te verjagen en te demonstreren dat de groep straks eensgezind een nieuwe koning zal accepteren. Het ‘vrijen’ (bevrijden) van de schutsboom wordt overgelaten aan de gildeheer (de pastoor) en de beschermheer (de burgemeester). Wanneer zij beiden de ‘wip’ geraakt hebben en de aftredende koning door het afleggen van het koningskazuifel zijn ‘magt en waardigheid’ heeft neergelegd, is dat het sein voor de gildebroeders om te gaan strijden voor de op een na hoogste eer die binnen het gilde te behalen is, het koningschap. De winnaar wordt meteen na afloop van de wedstrijd tot koning verheven en getooid met de koningsvogel en het juweel (ook wel patroonsplaat genoemd). Vervolgens wordt hij door het gilde in optocht naar huis gebracht, waarna hij het gezelschap in zijn residentie traditiegetrouw nog een ‘koningsbiertje’ schenkt. De koning heeft de verplichting om gedurende zijn regeerperiode een zilveren koningsschildje voor het gilde te laten vervaardigen. Dit schildje blijft te allen tijde eigendom van het gilde. Uit hoofde van zijn koningschap wordt de gildebroeder die deze functie vervult aan de overheid toegevoegd. Net zoals zijn collega-bestuursleden heeft hij tijdens de vergaderingen een redenerende taak; bij het schieten en de wijze van optrekken is zijn stem echter ‘gebiedend,’ terwijl die vroeger bij het staken der stemmen ook nog van doorslaggevende betekenis was.

Keizer

Wanneer iemand driemaal na elkaar koning schiet, dan wordt hij tot keizer verheven en gekroond. Hoewel vier koningen in het verleden slechts enkele kogels van die titel verwijderd waren (Jan van den Houdt 1885, Jan den Teuling 1939, Rion de Gouw 1984 en Kees van Hulten 1996 en 2006) heeft het gilde van Sint Crispijn nog nooit een keizer binnen haar gelederen gehad. Een gildekeizer is heel bijzonder, niet alleen in Besoijen. Daarom ook werd vroeger al bepaald dat een keizer geen contributie en boetes verschuldigd is. In het reglement van 1880 was zelfs nog vastgelegd dat hij ‘vrij zou zijn van alle verteeringen,’ maar deze clausule is inmiddels geschrapt.

 

Bode en nar

Beschikken veel gildes tegenwoordig over een digitale ‘Gildebode’ als mededelingenblad, in vroeger dagen was het de taak van een menselijke bode om alle leden persoonlijk op de hoogte te gaan stellen van bijeenkomsten en andere gebeurtenissen. Sint Crispinus had tot 1902, toen de functie werd opgeheven, ook een gildebode in dienst. Naast het verzorgen van de diverse aanzeggingen, was het zijn taak om tijdens officiële optochten de hellebaard te dragen. Hij ontving een kleine vergoeding voor zijn werkzaamheden en was uiteraard ook van de partij als er gefeest werd. De laatste gildebode in Besoijen was Jacobus Kipping. Hem werd op 3 november 1902 eervol ontslag verleend. In de jaarrekening van 1927 bleek echter toch weer sprake te zijn van een ‘gildeknecht,’ maar nader onderzoek bracht aan het licht dat men hier doelde op een nar. In gildekringen heeft de nar een dienstverlenende taak jegens de koning, die zich voornamelijk uit in het poetsen van de schoenen van de toeschouwers bij een gildeoptocht. Een oude zegswijze die voorschrijft dat je niet met ongepoetste schoenen voor de koning kunt verschijnen, zou hieraan ten grondslag liggen. Het poetsen van schoenen door de nar is een algemeen gildegebruik en dus niet typerend voor een Waalwijks gilde. De narren nemen uiteraard ook een centenbakje mee voor de fooien en slaan hun slag vooral tijdens de grote gildedagen, waar veel koningen en veel volk samenkomen. De rol van nar, die bij Sint Crispinus tegenwoordig niet meer ingevuld is, werd meestal toebedeeld aan een tienerzoon van een van de leden. Zo waren in de jaren zestig van de vorige eeuw de huidige gildebroeders Peer en Bert van Hulten (zonen van voormalig hoofdman en erelid Jan van Hulten) de gelukkigen. Peer begeleidde als nar in 1961 de verhuizing van de schutsboom van de Grotestraat naar het Westeinde en haalde die dag ‘al narrend’ een mooie bijdrage op voor het uniformenfonds. Tijdens de kringdag van 1964 was zijn oogst maar liefst ƒ 40,--. In 1968 werd Peer opgevolgd door zijn jongere broer Bert, die zijn carrière als nar des konings het jaar daarop echter vroegtijdig beëindigd zag, omdat het kostuum (waarschijnlijk daterend uit de jaren twintig) tot op de draad versleten was.

Standaard (ruiter)

Onze standaard dateert van de oprichtingstijd van ons gilde. Het is gemaakt van met bijzondere knopen die ook de maaktijd? aantonen. Er zijn al diverse kleine reparaties aan uitgevoerd doch vanwege de hoge ouderdom en de bijzondere knopen en gebruikte materialen is restauratie een te dure aangelegenheid. De standaard werd voorheen door de standaardruiter op zijn paard gevoerd bij het “vrijen” van de weg voor het gilde. Op de standaard zijn de patroonheiligen afgebeeld waarbij bijzonder is dat de gezichten van leer zijn gemaakt en zijn geverfd. In 2003 is een replica van de standaard gemaakt.

Vaandeldrager

 

Tamboers

 

Vendeliers

 

Piekendragers (Hellebaarden)

 

Beschermheer

Sinds de oprichting van het gilde hebben alle burgemeesters van in eerste instantie de gemeente Besoijen en later, nadat beide gemeenten in 1922 werden samengevoegd, die van Waalwijk welwillend het beschermheerschap op zich genomen. Alle burgemeesters gaven daaraan uiteraard een eigen invulling. Door het ontbreken van het eerste gildeboek, is over burgemeester Dalleu (benoemd in januari 1839) in relatie tot het gilde niet zo erg veel bekend. Uit krantenberichten weten we dat hij bij feestelijke officiële gelegenheden nooit tevergeefs een beroep deed op de gildebroeders en dat het gilde zich niet onbetuigd liet bij de grootse viering van het 25-jarig ambtsjubileum van deze zeer geliefde burgervader. Waarschijnlijk is door de bekende tekenaar A.B. van Lieshout (1802-1885 ) in opdracht van het gilde een bijzonder huldeblijk vervaardigd. Toen Dalleu begin 1865, kort na dit grandioze feest, overleed kreeg hij een indrukwekkende uitvaart. ‘Het kerkgebouw kon dan ook de talrijke menigte niet omvatten. De lijkstoet werd geopend door het Gilde St. Crispijn van Besoijen met zijne in rouw gestoken vaandels. Hierop volgde het lijk, gedragen door het aloude gilde St. Joris, welker versierselen, met andere teekenen der waardigheid van den overledene, op de kist waren geplaatst5 .’ Dalleu werd opgevolgd door de eerste burgemeester uit de familie Verwiel, Johannes. Uiteraard gaf het gilde acte de présence bij zijn installatie, eind maart 1865, toen ‘alle corporatiën het hare bijbrachten om het geacht nieuw hoofd blijken van sympathie te brengen6 .’ Toen het gilde in 1888 haar 50-jarig bestaan vierde, hield Verwiel een treffende toespraak en gaf daarbij elk lid 25 cent te verteren. Veertien maanden later al moest ook deze beschermheer grafwaarts gedragen worden. Zijn zoon en opvolger als burgemeester, Cornelis Gerardus Verwiel, werd op 27 juni 1892 als beschermheer van het gilde geïnstalleerd. Hoofdman De Bakker bedankte hem in de speciaal voor de gelegenheid versierde gildekamer voor zijn welwillendheid en meldde dat zijn voorgangers als hoofd der gemeente steeds met de meeste toewijding de vereniging als beschermheer hadden gesteund. Met de woorden: ‘Moge het nog vele jaren uw borst sieren’ bood de hoofdman de burgemeester het bij zijn nevenfunctie behorende onderscheidingsteken aan. Het werd een bijzonder genoeglijke avond (waarop men in totaal 20 flessen wijn verteerde) en naar later bleek ook de opmaat tot de vele gezellige avonden die men in het gezelschap van de burgemeester zou doorbrengen. Als er bij het gilde iets te doen was, was Verwiel present. Of het nu verloren maandag was, Crispijndag of koningschieten. Hij liet zelden verstek gaan, wist met zijn woorden altijd de juiste toon te treffen, stelde prijzen beschikbaar, reikte medailles uit en gaf zeer regelmatig rondjes op ‘de bloeiende vooruitgang van het gilde.’ Herhaalde malen werd in het gildeboek dan ook genoteerd: ‘Volgens goed gebruik was ook de beschermheer aanwezig.’ Op oudejaarsavond 1915 gaf hij zelfs een feestavond speciaal voor het gilde, compleet met prijzen voor de barakwedstrijden en optredens van enkele komieken. Al vanaf 1914 legden de gildebroeders maandelijks geld uit om de burgemeester bij zijn 25-jarig ambtsjubileum in 1915 een mooi cadeau te kunnen geven ‘omdat hij zowel moreel als financieel een zeldzame beschermheer [was].’ Vanwege de tijdsomstandigheden stelde Verwiel een uitbundige huldiging niet op prijs. Een delegatie van het bestuur, voor de gelegenheid vergezeld van enkele bruidjes, ging hem daarom thuis het cadeau van de gildebroeders aanbieden. Waaruit het presentje precies bestond is niet bekend, maar het sloot volgens de krant goed aan bij het cadeau van de bevolking. Tijdens de eerstvolgende vergadering kwam de burgemeester de gildebroeders persoonlijk bedanken voor hun attentie en trakteerde hen daarbij op worstenbroodjes en ‘enkele glaasjes.’ Op 1 maart 1917 legde Cornelis Verwiel zijn ambt neer, waarna hij in augustus het gilde te kennen gaf ‘ook het beschermheerschap der gilde Crispijn voortaan liever aan jonge krachten [zag] ter hand gesteld.’ Inmiddels was Jan Verwiel, de zoon van Cornelis, per 1 mei 1917 benoemd tot burgemeester van Besoijen en het zal geen verbazing wekken dat hij tijdens het Crispijnfeest van datzelfde jaar geïnstalleerd werd als beschermheer van het gilde. Meteen na de installatie verzocht de hoofdman ‘de oude burgemeester’ om erelid te worden, ‘die dit onder het genot van enkele glaasjes graag aanvaardde.’ In 1922 werd Besoijen, evenals Baardwijk, samengevoegd met de gemeente Waalwijk. De ‘jonge’ Verwiel werd toen benoemd tot burgemeester van Oisterwijk en het beschermheerschap van het gilde van Besoijen ging over naar de burgemeesters van Waalwijk. Waalwijk Begin 1923 verzocht het gilde de burgemeester van Waalwijk, Th.L. de Surmont de Bas Smeele om beschermheer te worden, die te kennen gaf dit graag te accepteren. Hij heeft echter niet de gelegenheid gehad om daadwerkelijk kennis te maken met het gilde, want hij overleed nog in hetzelfde jaar, op 5 december. Tijdens zijn uitvaart lag het gildezilver op de kist en stonden de gildebroeders met vaandel en standaard aan zijn graf. Op 20 oktober 1924 maakte de nieuwe beschermheer, burgemeester Moonen, zijn opwachting bij het gilde en men toonde hem bij die gelegenheid vol trots de oude attributen. Tijdens zijn ambtsperiode werden diverse gildedagen georganiseerd, die hij steeds met raad en daad ondersteunde. In verband met de oorlogsomstandigheden waren de gildebroeders niet in staat om deze beschermheer in 1944 met gilde-eer te begraven. Uit de nagenoeg lege kas droeg het gilde wel ƒ 65,-- bij aan het monument dat voor ‘onze beschermheer burgemeester Moonen, die op 6 september 1944 op zeer droeve wijze het leven gegeven heeft voor God en Vaderland,’ zou worden opgericht. Het beschermheerschap wordt vervolgens aangeboden aan burgemeester Lambooy. Hij liet zich tijdens de Crispijndag van 1946 uitgebreid voorlichten over de tradities en attributen en zegde toe als beschermheer al het mogelijke voor het gilde te willen doen. Hij deed zijn woorden gestand, maar anders dan zijn voorgangers en zeer tot spijt van het gilde, was het geen man die na afloop van de plechtigheden nog gezellig ‘een glaasje’ bleef meedrinken. Dat kon ook niet gezegd worden van zijn opvolger burgemeester Teyssen, maar met het aantreden van Jan van Casteren in 1976 ontstond op dit punt een ommekeer. Van Casteren spande zich onder andere in om fondsen te werven voor de restauratie van het gildeschilderij en wist ook zijn gemeenteraad nog te bewegen daaraan een financiële bijdrage te leveren. Tijdens een informele bijeenkomst in maart 1992 werd Rob van Schaik geïnstalleerd als beschermheer. Nadat hij, als eerste beschermheer ooit, op de Crispijndag later dat jaar ’s ochtends de gildemis had bijgewoond, verspeelde hij daarna bijna zijn krediet door het gezelschap tijdens de traditionele ontvangst in de raadszaal kòffie aan te bieden. Dat druiste tegen alle tradities in want de gildebroeders waren gewend bij die gelegenheid een drankje in ‘een glaasje’ voorgezet te krijgen! Toen hem dat voorzichtig werd ingefluisterd, toonde Van Schaik zich een waardig gildegast- en beschermheer en zorgde ervoor dat het servies met gezwinde spoed werd vervangen door glaswerk. Hij maakte zijn aanvankelijke verzuim overigens bij zijn ook weer informele afscheid ruimschoots goed door de gildebroeders op een ‘gepaste’ consumptie te trakteren. De installatie van zijn opvolger Jan de Geus als beschermheer van het gilde werd zelfs nog vertraagd door het feit dat Van Schaik slechts zeer node aftrad, maar uiteindelijk de versierselen aflegde om de traditie dat de zittend burgemeester fungeert als beschermheer niet te doorbreken. Burgemeester Jan de Geus leeft in de herinnering van de gildebroeders voort als een ‘gildeman in hart en nieren.’ Hij zette zich als ‘vraagbaak en adviseur’ vooral op de achtergrond enorm in voor het verkrijgen van subsidies en het vinden van sponsoren voor de restauratie van de attributen en de investeringen (met de daarbij behorende vergunningen) die voor het schietterrein noodzakelijk waren. Zoals De Geus zelf ook meldde in een interview met ‘De Gildetrom,’ het magazine van de Noord-Brabantse Schuttersgilden, in 2006, hechtte hij er verder aan het gilde jaarlijks op de staatsiedag te ontvangen en waar mogelijk aanwezig te zijn bij andere voor het gilde belangrijke gebeurtenissen. Evenals zijn voorganger Van Schaik, stond ook hij erop met een informele bijeenkomst afscheid te nemen als beschermheer. Tijdens de staatsiedag van 2007 werd Nol Kleijngeld geïnstalleerd als beschermheer van het gilde, waarna hij de gildebroeders de traditionele ontvangst bereidde in de raadszaal van het voormalige gemeentehuis. Hij was voor het gilde geen onbekende (als wethouder had hij in de jaren ’90 de zoektocht naar een nieuwe accommodatie begeleid) en gilden waren hem, als voormalig geschiedenisleraar en beschermheer van het gilde in Helden-Panningen, wèl bekend. In het kader van het 75-jarig bestaan van kring Maasland in 2010 bezocht de burgemeester samen met hoofdman en secretaris een symposium, waarop onder andere commissaris van de koningin Van de Donk en historicus Prof. Dr. Herman Pleij spraken over historie en betekenis van de gilden. Wat de gildebroeders verder opvalt is de enorme betrokkenheid van mevrouw Kleijngeld. Zij vergezelt haar echtgenoot regelmatig bij speciale gelegenheden en is een trouw bezoekster van ‘verloren maandag,’ waarbij ze in 2010 zelfs de rikbeker wist te winnen.

Burgemeesters gemeente Besoijen en beschermheer gilde

1839-1865   A.J. Daleu  

1865-1889  Johannes Verwiel

1890-1917   C.G. Verwiel (zoon van voorganger)

1917-1922   J.J.L.M. Verwiel (zoon van voorganger, later burgemeester van Oisterwijk)

Burgemeesters gemeente Waalwijk en beschermheer gilde

1907-1923        Th.L.D. de Surmont de Bas Smeele

1924-1944        E.C.J. Moonen                

1944-1946        R.J.Th. van der Heijden                               

1946-1951         Robert (R.J.J.) Lambooij                             

1952-1975        Jan (J.L.P.M.) Theijssen                                           

1975-1990        Jan (J.C.W.) van Casteren                                                

1991-2001         Mr. Rob (R.H.J.) van Schaik                                                   

2001-2007      Jan (J.) de Geus

2007- 2021     Nol (A.M.P.) Kleijngeld       

2021                            

 

Gildeheer

Wanneer de traditie is ingegaan dat de pastoor van de parochie Maria Onbevlekt Ontvangen te Besoijen (opgericht in 1851) en later die van St. Jan te Waalwijk ook gildeheer van Sint Crispijn werd, is niet bekend. Duidelijk is echter wel dat de banden tussen de parochieherders en het gilde steeds zeer hecht zijn geweest. In 1884 nam het gilde bijvoorbeeld deel aan de optocht ter gelegenheid van het 50-jarig priesterschap van pastoor J. van Kessel. Vier jaar later waren alle gildebroeders aanwezig bij zijn uitvaart en in 1909 bewezen zij de laatste eer aan diens opvolger pastoor Verberne. In 1957 kregen de beide Waalwijkse gilden een ereplaats toebedeeld in de sacramentsprocessie, zij liepen respectievelijk voor en achter het Allerheiligste. De eerste pastoor van wie onomstotelijk vast staat dat hij de officiële titel van gildeheer droeg, is pastoor Verbiesen. Hij was het namelijk die in 1960 de schutsboom bevrijdde. Zijn opvolgers Bocken en Huisman zetten de traditie voort. Van Zutphen, geïnstalleerd in 1992, vroeg eerst even bedenktijd. Hij was in 1990 pastoor van de Clemensparochie geworden en om die reden door het St. Ambrosiusgilde al gevraagd om gildeheer te zijn. Na rijp beraad en toen bleek dat binnen de gilden niemand problemen met zijn ‘dubbelfunctie’ zou hebben, aanvaardde hij graag. Ook pastoor Van Roosmalen liet zich als gildeheer van ons gilde installeren. De pastoors Dorssers en Verbraeken vervullen de functie weer bij de beide Waalwijkse gilden. Gedurende een lange reeks van jaren waren de gildebroeders in vol ornaat present bij alle priesterfeesten, kerkelijke hoogtijdagen en bijzondere gebeurtenissen. Zo ook toen op 6 februari 2000 de kerk van de Mariaparochie aan de eredienst werd onttrokken. Onder begeleiding van het gilde trokken de gelovigen met de bisschop, de pastoor en de ornamenten die dag in een stille tocht van Besoijen naar de St. Jan in Waalwijk. Twee jaar later vierde de parochie St. Jan in Waalwijk het feit dat 75 jaar eerder de kerk werd ingezegend. Het gilde van Besoijen was erbij om bisschop Hurkmans naar de kerk te escorteren.

 

Overzicht pastoors en gildeheer gilde

Op 23 januari is de kerk  Heilige Maria Onbevlekt Ontvangen in Besoijen ingezegend. Op 1 januari 2000 hield de parochie Maria Onbevlekt Ontvangen op te bestaan als individuele parochie, vanaf deze datum hoorde ze bij de St.-Jansparochie. De nieuwe parochie kreeg de naam Sint Jan/Maria. Per 6 februari 2000 is de R.K. kerk van Maria Onbevlekt Ontvangen in Besoijen gesloten, c.q. aan de eredienst onttrokken. Vanaf deze datum gaat het gilde naar de kerk Sint Jan de Doper in het centrum van Waalwijk. 

 

1851 - 1888    van Kessel

1888 - 1909    Verberne

1909 - 1943    Buys

1934 - 1936    van der Made

1936 - 1950    Kemps

1950 - 1969    Verbiesen

1969 - 1983     Bocken 

1983 - 2005    Huisman

1990 - 2005   van Zutphen

2005 - 2011     van Roosmalen

2011 - 2019      Dorssers 

2019 - heden  Verbraeken

            

TRADITIES EN BIJZONDERE DAGEN

Koningschieten

Staatiedag

Verloren maandag

Jeu de boules 

Lou de louw beker

Openingsbeker

Kees Meilingtrofee

Willem van den Hoven beker